Laatst moest ik weer aan de oorlog denken.
's Nachts waren mijn vader en twee ooms er op uit geweest om buiten de stad een boom om te zagen. We zaten zonder brandstof. Ik mocht deze keer niet mee, weet niet meer waarom.
Er verdwenen in die tijd nogal wat bomen uit de omgeving van Kampen (na de oorlog bleken hele wegen kaalgezaagd) en helaas werd er die nacht op alle buitenwegen gepatrouilleerd door niet helemaal koosjere politiemannen en wat Duitsers. Toen mijn vader en ooms dat in de gaten kregen, keerden ze als hazen terug. Maar tja, er moest wel brandstof komen, dus toen ze met hun handkar de Bovensingel (de randsingel van Kampen-zuid) bereikten en daar enkele wat kleinere bomen zagen staan, besloten ze, schichtig, er daar dan maar één van om te zagen en mee te nemen.
De volgende ochtend: paniek. In onze deelwijk liepen een paar N.S.B-ers op zoek naar een verdwenen boompje. Mijn vader en ooms bleken een deel van de bescherming van een paar loopgraven tegen luchtverkenning weggehaald te hebben. De in mooi zwart gestoken speurders kwamen in ons buurtje terecht omdat een van de bewoonsters had laten vallen, dat ze 's nachts oom Aart had zien lopen. Oom Aart en tante Betsy kregen dus als eersten in de Avercampstraat huisbezoek, maar mijn oom hield halsstarrig vol dat hij van niks wist. Hij had ook makkelijk praten, want het boompje lag in de schuur bij mijn opoe, verderop in dezelfde straat. Dacht hij. Mijn tante Dien die bij opoe inwoonde, wist echter wel beter en kwam in paniek naar ons huis (een straat verder) om te melden dat de buit in onze schuur lag. Dat hadden wij, mijn vader was al weg, zo vroeg in de ochtend nog niet gemerkt. En de huiszoekingen waren in de Avercampstraat al voortgezet. Naïef, primitief zelfs, heb ik met mijn moeder en tante Dien toen het vervloekte boompje naar boven gezeuld en op zolder gelegd.
Gelukkig gaven de NSB-ers de huiszoekingen al snel op. Ze lieten het merkwaardigerwijs bij de straat van opoe en oom Aart, maar later hoorden we van Tante Dien dan ook dit verhaal:
Zoals ook in de andere huizen drongen de landverraders zonder vragen het huis van mijn opoe binnen. Ze waren zwaar bewapend en eisten op hoge toon het openen van kamers, kasten en schuur. Ze zochten een boompje. Mijn opoe was echter een weliswaar klein, maar zeer vinnig wijfje, dat niks van NSB-ers moest hebben. Ze stelde zich, hevig verontwaardigd, op voor de grootste van de helden (ze moest ver naar hem opkijken) en sprak toen op woedende toon de onvergetelijke woorden: "beumpien, beumpien, wà t beumpien, niks beumpien; mien huus uut". En met priemende vingers begon ze in het toch zeer gespierde lijf van de aanvoerder te prikken en hem achteruit de duwen naar de keukenuitgang. Aangrijpend was het, vertelde tante Dien, om te zien hoe de dappere krijgers verschrompelden. Tegen angstige burgers waren ze uitstekend opgewassen, met de felheid van een toch al oude vrouw die vond dat ze volkomen in haar recht stond, wisten ze geen raad. En stapje voor stapje trokken ze zich terug, steeds vergezeld van de in onze familie historisch geworden woorden:" beumpien, wà t beumpien, niks beumpien' niks met oe te maak'n, 't is mien huus, mien huus uut".
Buiten zag mijn tante ze wegsjokken, de schouders aanzienlijk lager dan toen ze aankwamen. Het zou me niet verbazen als ze op grond van die ervaring besloten hebben maar een eind aan de huiszoekingen te maken en dat wij daardoor ontsnapt zijn.
Een navrant detail is nog dat de volwassen mannen uit de buurt daarna 's nachts om beurten de wacht moesten houden bij de loopgraven. Dat is ons door de buurt niet in dank afgenomen, maar heeft niet tot verraad geleid.
Geplaatst door: jongman
Geplaatst op: 17 januari 2010