Dit verhaal is gebaseerd op een interview met David Verdooner. Hij vertelde over de bakkerij van zijn vader, Meijer Verdooner. David Verdooner is op 10 juli 2008 overleden.
Mijn vader was begin jaren dertig zetbaas bij bakker Willem Pront op de Tugelaweg 70 in Amsterdam. Bakker Pront was toen ook een beroemde Joodse bakker, hij had drie zaken.
Het was een goedlopende bakkerij. Wij hadden het hartstikke goed. We hadden vrij wonen, praktisch vrij eten (veel kwam uit de bakkerij) en ook nog eens 35 gulden salaris in de week. Daarnaast hoefden we niet voor de verwarming te betalen, mijn vader had het goed voor elkaar.
Met de oorlog veranderde er veel, maar ik wil daar niet al te veel over zeggen. Mijn vader had echter wel een vooruitziende blik. Hij wist donders goed dat het niet goed zou aflopen. Zo heeft hij kort voordat we zelf zouden onderduiken het bakkersgereedschap ‘laten onderduiken’.
Ik weet niet waar hij het naar toe heeft gebracht, ik was tenslotte nog maar vijf in 1943. Het moet in ieder geval zijn gebeurd op het moment dat wij weggingen.
Na de oorlog, toen wij weer boven water kwamen, konden we niet terug naar onze oude woning aan de Tugelaweg. Daar was namelijk een ander in gekomen. Voor alle duidelijkheid, dat was geen foute Nederlander, hij was daar geplaatst omdat zijn eigen winkel was gebombardeerd.
Ook bakker Willem Pront was er niet meer, of hij was vermoord, wist men zo kort na de oorlog nog niet. Dat werd later pas duidelijk. Wel heeft mijn vader al snel de spullen uit de oude bakkerij boven water gehaald. Mijn vader kon toen wel in het andere pand van Willem Pront terecht, dat was in de Uiterwaardenstraat. Kort nadien kwam de broer van Willem Pront terug. Die was met een niet-joodse vrouw getrouwd en zij hadden dingen gedaan die niet mochten. Die wilde niet dat mijn vader bleef als zetbaas. Mijn vader moest weg, hij moest er uit.
Omdat mijn vader niet meer aan de slag kon blijven als zetbaas besloot hij als zelfstandig bakker verder te gaan. Probleem was dat mijn vader geen cent te makken had. Toch heeft hij het voor elkaar gekregen, met nul komma nul eigen kapitaal. Daar heb ik dus nog steeds groot respect voor. Ik heb diezelfde eigenschap! Ook al heb je nul komma nul centen en alleen maar schulden. Gewoon je schouders eronder en er voor gaan. Het was hard sappelen, hij is er misschien niet rijk mee geworden maar wel gelukkig. Het was keihard werken, niet zes maar zeven dagen per week.
Het pand dat mijn vader kocht was de Tugelaweg 80-81-82. Voor de oorlog was het een slagerij geweest. Na de oorlog was er van dat pand niet veel meer over. Het was helemaal gestript. Alles wat van hout was, was tijdens de late oorlogsjaren uit de leegstaande huizen gesloopt. Niet alleen de deuren, maar ook de vloer was verdwenen.
Hij heeft het herstel helemaal alleen moeten doen en bekostigen. Hij kreeg geen enkele hulp of steun van de Gemeente. Ook het materiaal van de bakkerij (dat hij had laten onderduiken in 1943) was hij kwijt. Het was ook eigenlijk van Bakker Willem Pront. De broer van Willem Pront was de erfgenaam.
Mijn vader was een echte broodbakker. Aanvankelijk kreeg hij niet het keurmerk Onder Rabbinaal Toezicht (O.R.T.). Daarom kon mijn vader ook de winkel op zaterdag open houden. Dat heeft geduurd tot ergens eind jaren vijftig. Toen was de winkel behalve een broodbakkerij ook een banketbakkerij geworden. Het keurmerk O.R.T. betekende wel dat we vanaf dat moment op zaterdag dicht waren als winkel.
Geplaatst door: Geheugenvanoost
Geplaatst op: 7 december 2009
Er zijn nog geen reacties bij dit item.