Recensie door Willem Otterspeer . Gepubliceerd op 26-03-2010
Gepubliceerd op 6 april 2010, 09:58:00, bijgewerkt op 6 april 2010, 09:58:00
Anathema’s 9, het nieuwe boek van Rudy Kousbroek, is, van cover tot cover, een kuil om snikkend in te vallen. Het ontwerp van het voorplat is geïnspireerd op dat van de eerste Anathema’s en brengt de lezer terug naar het eind van de jaren zestig, toen Kousbroek zijn banvloeken voor het eerst bundelde. Het achterplat, met een foto van de schrijver bij de tombe van Toergenjev, is al even zeer een tijdmachine. Toergenjev en Kousbroek zijn duidelijk tijdgenoten en het struweel van de begraafplaats groeit al maar sneller, om hen weldra zacht te verpakken in het houtwol van de tijd.
Die foto is een wonder en vereist een inlevingsvermogen zoals Kousbroek dat zijn lezers bijbracht in zijn fotosynthetische boeken. De rechterhand lijkt geschoeid, maar de linker ligt onbeschermd op de koude steen. De conventie verpakt hier zowel de tederheid die contact zoekt als de wetenschap die de vergeefsheid inziet. ‘Grijs licht kroop aarzelend tussen kale takken van de kerkhofbomen door.’ Daar staat hij, op het Volkov-kerkhof in Petersburg. Had Toergenjev nu geleefd en Kousbroek toen, hij zou het zelfde gedaan hebben.
Wie de titel van het boek, Restjes, goed wil begrijpen moet hem eigenlijk door Kousbroek zelf horen uitspreken. Het is een lekkernij, een nieuwe schepping uit bestaande bestanddelen. U hoort een jongenssopraan met craquelé, ‘feierlich, langsam doch nicht schleppend’, met een zucht van verwachting: restjes. Het is een volwaardig gerecht, geen ‘unvollendete’, integendeel, de oude thema’s worden hernomen met dezelfde virtuositeit, maar wel met iets meer zwart erin.
We herkennen de precisie van de voorgaande Anathema’s, de lucide trefzekerheid in definitie en omschrijving. ‘Niets dan kip en geen kop’ (als alternatief voor all sail and no anchor), ‘de sculptuur’ van een kapsel, ‘de architectuur’ van bh’s, de speciale geur van Frankrijk: ‘het boudoir van de conciërge met een vleugje bezemkast en potage bonne-femme’.
Het immer rake citaat, bijvoorbeeld om duidelijk te maken dat men niet bang hoeft te zijn om verkeerd begrepen te worden: There is no greater joy than to be taken for an imbecile by an idiot (Oscar Wilde) of ter aanduiding van de visie op de vrouw van de katholieke kerk: enfant malade et douze fois impure. De hilarische reeks ‘Oud-Chinese topografie: ‘het terras van de eeuwige tegenwind’, ‘de grot van de vergeefse handelingen’, etc., etc.
We herkennen ook de aard van de bevindingen, observaties die zo bevrijdend zijn dat ze even doen schrikken, als grote geschenken. Bijvoorbeeld over het verlies van perspectief bij de beschrijving van een landschap.
Heel goed is ook de gedachte dat de geschiedschrijving ‘veel weg heeft van hoe een kind natuurkundige verschijnselen verklaart’. Al even mooi is de vaststelling dat het herkennen van domheden bij anderen vaak ook schaamte oproept, bijvoorbeeld wanneer iemand niet blijkt te weten dat administration ook ‘regering’ kan betekenen. ‘De reden dat die constatering schaamte oproept is dat je die voorstelling zelf ook gehad moet hebben om het niet als een toevallige onjuistheid, maar als een onderdeel van een primitieve visie te herkennen.’
We herkennen ook de thema’s van vroeger, het wanhopige pogen in het verleden door te dringen, de momentane staat van genade van een herinnering, de wens alles wat broos is en kortstondig te beschermen, de behoefte grote culturele verschillen te overbruggen, de wetenschap van de vooruitgang en het inzicht in de zinloosheid.
Als ik een verschil met de vroegere Anathema’s zie, is het vooral in de toon en dat verschil is niet van vandaag, maar is het werk van Kousbroek ingekropen als de schemer die een huis binnentrekt. Dat heeft te maken met de grotere empathie waarmee deze essays geschreven zijn.
Een van de mooiste essays, gebaseerd op een grote herkenning, is dat over Stendahl.
‘Eeuwigdurende bijstand’ heet het en het is een prachtvoorbeeld hoe een essay in elkaar hoort te zitten, als een verliefd mechaniekje. Maar het is vooral een prachtige beschrijving hoe hartstocht en tederheid elkaar naar het leven kunnen staan, hoe het verlangen naar liefde de bevrediging ervan kan fnuiken. Dat het uitloopt op een warm pleidooi voor Viagra maakt duidelijk hoe gemakkelijk emotie en scheikunde, hartebloed en motorolie bij Kousbroek gemengd kunnen worden.
Het mooiste essay is naar mijn smaak dat over de Japanse grootmeester Tanizaki. Het heet ‘Donker licht’ en hoewel er zeker een zweem van spot richting Harry Mulisch in zal zitten, is het vooral een poging licht en duisternis te mengen op de manier van een late Rembrandt. De schoonheid van de schemer wordt erin opgeroepen, een duisternis die mooie dingen beter tot hun recht doet komen. Dat donkere licht is de materie van de empathie, de invoelbaarheid, het vermogen de kleinste nuances waar te nemen, kwaliteit te zien, jezelf weg te denken.
Het brengt de schrijver terug naar Sumatra’s Oostkust, een wereld zonder elektriciteit, in een poging zijn kamer te reconstrueren. Die poging is een vast ritueel de slaap te vatten, het duister te vinden dat hem vroeger geborgenheid gaf. En ineens, door een toevallige associatie, lukt het. Hij herinnert zich hoe de petroleumlampen van het huis overdag op de achtergalerij stonden en ziet dan voor zich hoe ze allemaal tegelijk op een tafel worden aangestoken door de bedienden. ‘Ik zie hun gezichten, van beneden verlicht, terwijl zij zich buigen over die tafel, een oase van licht in de duisternis eromheen. De krekelgeluiden buiten. En binnen het suizen van de stilte.’
* * * * *
Rudy Kousbroek: Restjes – Anathema’s 9. Augustus; 219 pagina’s; € 18,90. ISBN
978 90 4570 317 6.