Recensie door Anet Bleich
Gepubliceerd op 10 februari 2010, 02:25:00, bijgewerkt op 10 februari 2010, 02:25:00
Gepubliceerd op 05-02-2010 -
Stel je voor dat op een ijskoude winterdag er iemand tegen de rillende omstanders roept: ‘kom mensen, niet zo somber, de lente komt er al aan’. Is zo'n opmerking misplaatst en wezenloos of getuigt ze van een gerechtvaardigd optimisme?
Die vraag komt spontaan op bij het lezen van Hoezo mislukt? – De nuchtere feiten over de integratie in Nederland van Frans Verhagen, vooral bekend als Amerika-deskundige. Een citaat om de sfeer die Hoezo mislukt? uitstraalt te proeven: ‘Anno 2010 kunnen kinderen van Turkse en Marokkaanse immigranten zowel arbeider zijn als gewone middenklasseburger, zowel ondernemer als promovendus, zowel ambtenaar als advocaat; er zijn weinig analfabeten over. Dat is een formidabele prestatie, van die kinderen, maar ook van Nederland. We zijn er lang niet trots genoeg op .’
Dat is, zullen we maar zeggen, een wat andere toon dan de laatste jaren gebruikelijk is in het debat over integratie. Verhagen baseert zich hierbij – gelukkig – niet alleen op onderzoeken en statistieken, maar ontvouwt ook een duidelijke visie die er op neerkomt dat integratie, het verdwijnen van de grote verschillen tussen nieuwkomers en ingezetenen, een langdurig proces is, een work in progress.
Hij verwijst naar de ervaringen in Amerika, waar de inpassing van nieuwe groepen immigranten, of het nu Duitsers, Ieren, Oosteuropese Joden of Filipino’s betrof, onderlinge sterke gelijkenis vertoonde en binnen drie generaties voltooid was. Verhagen betoogt dat er geen enkele aanwijzing is dat dit proces in Nederland anders verloopt en hij weet die stelling op een aantal terreinen goed te onderbouwen.
Als het gaat om het beheersen van de Nederlandse taal – ook volgens Verhagen een conditio sine qua non om in de nieuwe omgeving te kunnen functioneren – signaleert hij een groot onderscheid tussen de eerste en de tweede generatie. De gastarbeiders die hier zo'n veertig jaar geleden arriveerden, spreken grotendeels hun oorspronkelijke taal. Maar dat ligt voor de tweede generatie al heel anders: 90 procent van de jongere Marokkanen en 62 procent van hun Turkse leeftijdsgenoten communiceren met broers, zussen en vrienden in het Nederlands. Voor de derde generatie zal
Nederlands dus gewoon de moederstaal zijn.
Eenzelfde dynamiek ontwaart Verhagen bij het onderwijs, de emancipatiemotor bij uitstek. Hij stelt allereerst vast dat het leeuwendeel van de allochtone kinderen opgroeit bij ouders met weinig geld en weinig opleiding, een flinke handicap, zeker omdat er thuis ook nog een andere taal wordt gesproken. Zo bekeken mag het inderdaad een haast spectaculair succes worden genoemd dat een op de vijf Marokkaanse en Turkse kinderen nu rechtstreeks doorstroomt naar havo/vwo en een op de tien naar hbo of universiteit, een verdubbeling vergeleken bij tien jaar geleden. Heel wat allochtone jongeren komen ook via een omweg omhoog door het stapelen van diploma’s.
Het neemt niet weg dat zich aan de onderkant van het onderwijsgebouw, bij vmbo en mbo wel grote problemen voordoen: achterop raken, spijbelen, schooluitval. Des te ernstiger omdat jongeren zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt erg kwetsbaar zijn. ‘Er zijn vraagtekens te zetten bij de kwaliteit van het onderwijs, met name bij die van het vmbo/mbo’, aldus Verhagen. Gezien die constatering is het wat overdreven dat hij het onderwijsbeleid voor allochtonen ‘een waanzinnig succes’ noemt; dat gaat maar voor een deel van de tweede generatie op . Er tekent zich daar inderdaad een grotere diversiteit af, maar het risico van een tweedeling onder de jongere immigranten is niet denkbeeldig. Toch heeft Verhagens Amerikaans aandoend optimisme – er liggen kansen en die worden door velen gegrepen – iets aanstekelijks.
Onderwijs, werk en huisvesting vormen volgens de auteur de sleutel voor succesvol burgerschap En hij is over de resultaten te spreken: ‘het percentage allochtone huishoudens met een laag inkomen is gedaald van 43 in 1996 naar 32 nu. Dat komt opnieuw door de verbetering in de maatschappelijke positie van de tweede generatie.’
Die heeft in haar midden meer welgestelden, minder echte armen en een grotere middengroep, een effect dat mede is te danken aan de goede voorzieningen die de verzorgingsstaat biedt. Dankzij die verzorgingsstaat is het ‘in Nederland gemakkelijker om daadwerkelijk mobiel te zijn dan in de VS, waar dat vooral een aansprekende mythe is.’
Maar hoe zit het dan met de ten onzent zo veel besproken culturele verschillen, de islam voorop? Verhagen geeft ook op dit punt blijk van een verrukkelijke onbezorgdheid en hij heeft er argumenten voor. In de eerste plaats noemt hij het een ‘tamelijk absurd’ idee ‘dat een cultuur uit het Rifgebergte of Anatolië onveranderd kan blijven in Amsterdam of Den Haag. Dat zou betekenen dat cultuur star, onwrikbaar en onveranderlijk is (...) cultuur is niet onveranderlijk en niet alles is het behouden waard.’ Met een verwijzing naar de vroegere verzuiling, toen gelovigen van diverse pluimage vreedzaam naast (of veeleer langs) elkaar leefden, concludeert Verhagen dat een neutrale overheid ‘die alle culturen, godsdiensten en levensovertuigingen als gelijkwaardig behandelt, zo Nederlands is als Zeeuws meisje’.
Het islamitisch geloof is ook binnen de tweede generatie een belangrijk anker – 830 duizend inwoners, zo’n 5 procent van de bevolking, noemen zichzelf moslim. De beleving van die religie verandert wel onder de jongeren. Verhagen haalt onderzoeken aan die tonen dat ongeveer de helft van hen zelden tot nooit in een moskee komt en maar een op de tien voert de dagelijks voorgeschreven gebeden uit.
De rol van georganiseerde religie neemt af, de godsdienst wordt ook onder moslims steeds persoonlijker ingevuld, luidt een van de conclusies in het door Verhagen aangehaalde proefschrift Zoeken naar een zuivere islam van Martijn de Koning. Gek genoeg was er voor die geruststellende vaststelling weinig interesse. Zo zou de redactie van het programma Pauw & Witteman na een lang gesprek met De Koning tegen hem gezegd hebben: ‘dat is goed nieuws voor Nederland en goed nieuws voor de moslims, maar daar zitten wij niet op te wachten’.
Verhagen verbindt hieraan een stukje mediakritiek dat moeilijk zomaar kan worden weggewuifd. ‘Onderzoek op dit terrein wordt bekeken binnen vaste kaders: de angst voor de islam, radicalisering en terrorismedreiging, arbeidsmarktproblemen voor jongeren, gebrekkige participatie van vrouwen, jeugdcriminaliteit.’ Er is ‘slechts plaats voor een beperkt aantal verhalen en die zijn vaak negatief getoonzet’.
In zijn prijzenswaardige ijver om dit vertekende beeld te corrigeren, schiet Verhagen soms door. Wanneer hij bijvoorbeeld beweert dat over vrouwenbesnijdenis niet hoeft te worden gedebatteerd, omdat bijna iedereen dat verwerpelijk vindt. Fijn, maar het feit dat het nog steeds voorkomt, is wel degelijk een reden om ertegen te ageren. Net als bij eerwraak en huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen komt de behoefte om dit aan de kaak te stellen juist ook sterk uit de hoek van (meestal vrouwelijke) migranten. Het gaat om meer dan een randverschijnsel en daar moet over gepraat en tegen opgetreden worden.
Over het algemeen echter heeft Verhagen met zijn onmodieus scherpe kritiek op niet slechts de toon, maar ook de inhoud van het Nederlandse islam- en integratiedebat het gelijk aan zijn kant. Terecht constateert hij dat er discussie is ‘over de inhoud van een geloof, terwijl dat in Nederland heel ongebruikelijk is’. Zijn commentaar op het stemgedrag van Volendam (bij de Europese verkiezingen) is van een bevrijdende satire: ‘Als heel Volendam wegens een hekel aan allochtonen op de PVV stemt, terwijl er in het dorp geen allochtoon woont, dan moet dat probleem serieus genomen worden. Maar om welk probleem gaat het precies? Dat de Volendammers kennelijk van alles weten over een groep die ze niet kennen?’
Treurig is ten slotte het feit dat Nederland het enige westerse land is waar een nipte meerderheid (51 procent) van de bevolking negatief tegenover moslims staat; in Groot-Brittannië is dat 14 procent, in de VS 22, terwijl beide landen zijn getroffen door zware aanslagen die door (extremistische) moslims werden opgeëist. Dat juist in Nederland zo extreem gereageerd wordt, is volgens Frans Verhagen ‘na een kleine tien jaar van aanvallen van de anti-islam brigades op het islamitisch geloof geen grote verrassing’, maar geeft wel te denken.
Mooi dat het eens duidelijk onder woorden is gebracht, wie weet bevordert dat alsnog de komst van een nieuwe lente.