Jan Tromp
Gepubliceerd op 4 december 2009, 12:00:00, bijgewerkt op 2 februari 2010, 12:00:00
Ruud Koole werd voorzitter van de PvdA in een uiterst roerige periode in de Nederlandse politiek. Hij vertelt over zijn idealen en de glibberige praktijk.
Wie aan Ruud Koole’s Mensenwerk begint, moet zich niet laten afleiden door allerhande uitweidingen en terzijdes. Op zijn tocht door zijn herinneringen neemt de voormalige voorzitter van de Partij van de Arbeid ons mee naar begrafenissen, pannekoekenhuizen en partijbijeenkomsten in de provincie. Wie de moed heeft daar doorheen te bijten houdt een kern over die bestaat uit een fascinerend relaas van een politieke strijd tussen idealisten en opportunisten. De idealisten beloven zichzelf dat zij nooit zullen opgeven. De opportunisten zijn de super-arroganten. De opportunisten winnen met glans.
Ruud Koole, tegenwoordig hoogleraar politieke wetenschap in Leiden, was PvdA-voorzitter tussen 2001 en 2007, met een onderbreking van anderhalf jaar. Hij had die functie in een buitengewoon roerige periode, voor de wereld, voor het land en voor zijn partij.
Hij werd voorzitter in maart 2001, een half jaar voor de aanslagen in New York en Washington, ruim een jaar voor de moord op Fortuyn. Ook de oorlog in Irak en de moord op Van Gogh vielen in zijn periode. Koole maakte het vertrek mee van premier Kok uit de Nederlandse politiek, hij stond er bovenop toen de door de PvdA beoogde opvolger Melkert zijn ondergang beleefde en hij was nog steeds voorzitter toen de partij opkrabbelde onder Bos.
Zo’n man heeft iets te vertellen. En dat doet hij ook. Koole is hier en daar wat opschepperig over de eigen verdiensten, maar die houding kleeft nu eenmaal aan de soort, aan politici. Voor de rest is hij vooral openhartig en voor zover valt na te gaan opvallend eerlijk. In een cultuur van achterommetjes en stoten onder de gordel is Koole bovenal loyaal. Hij is loyaal aan de partij en aan de idealen van de beweging.
Is dat vroom? Vermoedelijk. Maar het hindert amper. Dat komt waarschijnlijk door het verhaal dat Koole te vertellen heeft (buiten die begrafenissen en die pannekoekenhuizen om). Zijn verhaal is in wezen dat van de underdog. De waarachtige underdog weet dat hij verliest, maar hij ziet er een aanmoediging in om niet te versagen, nooit te versagen. Zijn tegenstanders bezien zijn gekrabbel met geringschatting. De underdog lijdt eronder, maar hij koestert het gloedvolle vertrouwen dat het recht zegeviert, ook al weet hij beter.
Ruud Koole kwam min of meer van buiten; hij was geen partijtijger. Hij werd voorzitter van de PvdA tegen de zin van het Haagse partijestablishment. Hij wilde de invloed van de leden vergroten, de koers naar links verleggen.
Hoog spel.
Ze negeerden hem. Op elke bladzijde wel één keer. Zo was daar Benschop die al vanaf december met Van Ingen Schenau en Melkert had geconspireerd. Rottenberg was Dritte im Bunde. Koole op bladzijde 119: ‘Ik wist hier niets van.’
Amper tien bladzijden verder: ‘Op z’n minst zou over nieuwe plannen toch tevoren overleg moeten zijn geweest, maar dat was niet zo, althans niet met mij.’
Sla om en lees dat de voorzitter niet wilde dat de PvdA ‘nog meer rode veren zou afschudden’. Even verderop: ‘Ik vroeg er aandacht voor, maar dat vond men allemaal klein grut (...) Men denderde door op de ingeslagen weg.’ Vijf bladzijden verder: ‘Het werd me zwaar te moede. Waarom moest ik dat opnieuw achteraf horen?’
Ruud Koole leerde terugvechten. Zijn verhaal daarover heeft iets beklemmends. Hij streed voor een linkse koers, voor maatschappelijke rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid, maar op grond van de ervaringen die hij beschrijft kun je moeilijk anders concluderen dan dat hij het keer op keer aflegde.
Ruud betoogt bij herhaling hoe fijn het samenwerken is met Wouter. Geleidelijk aan vonden ‘Wouter en ik’ een modus om ‘constructief’ met de verschillen om te gaan, schrijft Koole. Hij is te aardig; het woord ‘constructief’ wordt in zijn boek zo vaak gebruikt dat sprake is van misbruik. Zijn boek heet Mensenwerk. Na 400 bladzijden lees je die titel als een synoniem voor Karakterbederf.
Bos controleert elke beweging en het is alsof Koole een zekere mate van zelfbedrog nodig heeft om de ongelijke strijd te kunnen volhouden.
Bladzijde 293: ‘Ik zei hem dat ik moeilijk als een kloon of een ‘wethouder Hekking’ het altijd ongenuanceerd met hem eens kon zijn. Wouter haalde daarop zijn (Vlaamse) held Steve Stevaert aan, die hem gezegd zou hebben dat de grootste vijand van een politiek leider de partij was.
‘Ik vond het een pijnlijk gesprek, maar bleef bij mijn standpunt.’