Aleid Truijens
Gepubliceerd op 4 december 2009, 12:00:00, bijgewerkt op 2 februari 2010, 12:00:00
Anton de Kom (1898-1975), Surinaams anti-koloniaal schrijver en verzetsstrijder, is een mythisch figuur. Maar veel waaraan hij begon eindigde in teleurstelling.
Op een plein in de Amsterdamse Bijlmermeer rijst een breedgeschouderde, naakte man van steen op uit wat een rotsblok lijkt. Het plein is naar hem genoemd. Zijn houding drukt triomf uit. Zijn pupilloze ogen kijken uit boven de menigte: vrouwen met boodschappentassen, skatende jongens, vrolijk uitgedoste tienermeisjes, zakenlieden in krijtstreep. Zwarte mensen, witte mensen, koffie-met-melkmensen. Zou hij plezier in hen hebben?
Er zijn ook straten naar hem vernoemd in Den Haag en in Paramaribo. In Amsterdam kreeg een cultureel centrum zijn naam, in Paramaribo een universiteit. Zijn beeltenis stond een tijdlang afgedrukt op Surinaamse bankbiljetten. Eigenlijk is hij de enige echte held van de Surinamers, zowel in het land zelf als in Nederland. Als iemand de man van steen, toen hij nog van vlees en bloed was, dit alles had voorspeld, had hij op zijn hoofd gewezen. Hij een volksheld? Hij, Anton de Kom?
Tijdens zijn leven zag het daar niet naar uit. Dat begon in 1898 in een stoffig straatje in Paramaribo, als kind van een vader die nog als slaaf was geboren, en eindigde in 1945 wreed en voortijdig in Kamp Sandbostel bij Neuengamme. Veel van wat De Kom hoopvol begon, eindigde in teleurstelling.
Onderin zijn standbeeld in de Bijlmer staat gegraveerd: ‘vrijheidsstrijder, verzetsheld, schrijver, vakbondsman, activist en banneling’. Ook werd De Kom een ‘aanklager’ van racisme en kolonialisme genoemd, en ‘bruggenbouwer tussen zwart en wit’. En communist natuurlijk. Zelfs ‘de Zwarte Messias’ is hij genoemd. Was hij dat allemaal? En waarom precies?
Na zijn dood, maar vooral vanaf de jaren zeventig, begon een ongebreidelde mythevorming rond zijn persoon. De eerste biografen van De Kom, Alice Boots en Rob Woortman, gaven zichzelf de taak om de man die De Kom geweest is, op te diepen uit de talloze heldenverhalen en typeringen van mensen die de Kom voor hun eigen doelstellingen gebruikten.
Gelukkig had De Koms dochter Judith jarenlang informatie over hem verzameld. Ook had zij de belangstelling voor zijn werk levend gehouden. Pas vorig jaar kreeg zij verloren gewaande manuscripten van haar vader terug; de biografen maakten er dankbaar gebruik van. Door archiefonderzoek en gesprekken met nog levende familieleden en anderen die hem gekend hebben, ontstond een helder beeld dat de mythen corrigeert.
Hij was een jongen die goed kon leren en naar de Mulo mocht. In 1920 maakt hij de grote oversteek, in de hoop vooruit te komen. Hij vindt meteen een goede baan als boekhouder. De mooie jongen, strak in het pak, heeft succes bij de vrouwen. Hij trouwt met Haagse Nel. Hij schrijft een gedicht voor zijn blonde ‘Lotus van het Oosten, gevonden in het Westen’. Ze krijgen vier kinderen. Anton vindt een nog betere baan, als vertegenwoordiger.
’s Avonds droomt hij weg en schrijft hij verhalen en gedichten over zijn land, met bloeiende bomen die heerlijke vruchten dragen – maar ook het land waar de slaven zich op de plantages in het zweet werkten voor de kolonisator. Ook schrijft hij jarenlang aan wat een lijvig boek moest worden: een zelfbewuste geschiedenis van zijn land, nu eens niet gezien door de ogen van de kolonisator. Het verlangen naar het moederland vreet aan hem.
In 1933 emigreert het hele gezin naar Suriname. Daar begint hij, in de tuin van zijn ouderlijk huis, een adviesbureau voor arbeiders. Het tuintje loopt elke dag vol met klagers, vooral onderbetaalde Aziatische ‘contractarbeiders’, die waren gelokt met de belofte dat zij na gedane arbeid de terugreis naar huis vergoed zouden krijgen; het blijkt een loze belofte. De Kom wordt binnen een mum van tijd hun leider en laatste strohalm. Maar het gouvernement vindt hem een gevaarlijke opruier. Hij wordt gearresteerd, ook al is er geen aanklacht tegen hem. Duizenden arbeiders eisen zijn vrijlating; de politie schiet op de meute in; er vallen doden. Zonder proces wordt hij na drie maanden hechtenis met vrouw en kinderen op de boot terug naar Nederland gezet.
Daar vindt hij geen baan – omdat het crisis is, maar misschien ook omdat de BVD een flink dossier heeft opgebouwd over deze man. Hij publiceert artikelen in linkse bladen en houdt lezingen over de geschiedenis van Suriname. Jarenlang leurt hij met zijn boek Wij slaven van Suriname, dat in 1934 uiteindelijk zou worden uitgegeven bij Contact, maar dat zijn communistische vrienden, met name Jef Last, als hun gedachtegoed zouden opeisen.
Tien jaar lang is hij werkloos en leeft het gezin in armoede. Hij schrijft veel meer dan dat ene boek: kinderverhalen, poëzie, romans, toneel, een filmscenario, maar niemand wil het uitgeven. Eén gedicht wordt wel gepubliceerd, in de bloemlezing Negerliederen. Hij vergelijkt daarin het lynchen, zoals dat gebeurde in de Verenigde Staten, met de straf die slaven honderd jaar eerder kregen: ze werden aan een paal gebonden en levend verbrand: ‘Het vuur springt omhoog! De vlammen zwermen/ Om hoofd en schouders, het vuur en de rook/ Vreten hen op! O! hoor je ze kermen?’
Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaat De Kom in het verzet, maar niemand, zelfs zijn vrouw niet, weet precies wat hij doet. Hij wordt verraden en opgepakt. Enkele dagen voor de bevrijding sterft hij, door ziekte en uitputting. Pas vijftien jaar later krijgen zijn vrouw en kinderen te horen dat zijn stoffelijk overschot was geïdentificeerd.
Als Anton de Kom in deze biografie gestorven is, hebben we nog bijna tweehonderd pagina’s te gaan. Dat lijkt raar, zo’n lange epiloog. Maar dit tweede deel, dat de toenemende bewondering voor Anton de Kom beschrijft en de revival van zijn werk – Wij slaven van Suriname zou vaak worden herdrukt – is eigenlijk het belangrijkste. Het is, na het verhaal over het tragische leven, meer beschouwend en kritisch. De auteurs gaan na in hoeverre de typeringen die De Kom in de loop der jaren kreeg toebedeeld kloppen. En dat doen ze nuchter en grondig.
De constante in het Nachleben van De Kom was dat allerlei groeperingen hem annexeerden. Communistische intellectuelen beschouwden hem als hun eigen tropencommunist, een exotisch filiaal. Maar de Kom is nooit lid geweest van de communistische partij en was geen bewonderaar van het Sovjetcommunisme. Zijn linkse idealen richtten zich tegen kolonialisme en uitbuiting; eerder was hij een fellow traveller, een sympathisant. Voor Surinaamse studenten in Nederland was hij een ‘vakbondsman’, iemand die wees op het belang zich te organiseren. Maar De Kom heeft nooit een vakbond of partij opgericht. Hij was, schrijven de biografen, in politiek opzicht een tikkeltje naïef.
Voor actievoerders tegen het racisme is hij vooral de man van de Afro-Surinamers, de afstammelingen van de slaven. Maar De Kom benadrukte juist het belang van samenwerking tussen alle Surinaamse bevolkingsgroepen. De multiculturalisten wijzen erop dat De Kom met een blanke vrouw was getrouwd. Maar toen Anton verliefd werd op Nel, was interraciale samenwerking niet zijn oogmerk.
De grofste annexatie was die door Bouterse en zijn kompanen. Het ‘militair gezag’ lijfde hem in de jaren tachtig in als een grote voorloper. Maar de Kom was nooit een revolutionair geweest en als pacifist was hij tegen gewapende actie. De decembermoorden van 1982 op vijftien tegenstanders van Bouterse, en het bloedbad dat deze aanrichtte in het geboortedorp van de guerrillaleider Brunswijk, zouden De Kom, die schreef over de gruwelijke manier waarop bosnegers werden vermoord en die zijn leven gaf in het verzet tegen fascisme, met walging hebben vervuld.
Voor Boots en Woortman is Anton de Kom in de eerste plaats een schrijver. ‘Zo voelde hij dat zelf ook’, schrijven zij, en zo voelen zijn kinderen dat. Voor Surinamers was hij wat Multatuli was voor zijn ‘mishandelde Javaan’: hij loste weinig op, maar gaf velen moed, en zelfbewustzijn. Deze evenwichtige biografie pelt de mythe schil voor schil van deze schrijver af, zonder hem aan waardigheid en belang te laten inboeten.