Door Olaf Tempelman
Gepubliceerd op 4 december 2009, 12:00:00, bijgewerkt op 2 februari 2010, 12:00:00
Het levensverhaal van de Russische dichter Vladimir Majakovski doet dat van menig pop- of filmster verbleken. Bengt Jangfeldt schreef een biografie die een bestseller werd.
Er zijn kunstenaars wier levensverhaal uiteindelijk beter tegen de tand des tijds bestand blijkt dan hun werk. De Russische avant-gardist Vladimir Majakovski (1893-1930) heeft waarschijnlijk enkele van de mooiste liefdesgedichten uit de Russische literatuur op zijn naam staan. Echter, in eigen land is hij al decennia ongeliefd. Russische lezers associëren hem met de oude Sovjetscholen die – in de woorden van Boris Pasternak – ‘Majakovski door de strot douwden als de aardappel ten tijde van Caterina de Grote’. In het Westen zijn poëzielezers vandaag de dag schaars – en Majakovski-lezers erg schaars.
De Zweedse slavist Bengt Jangfeldt, kenner van de Russische avant-garde, schreef een lijvige Majakovski-biografie. In Zweden werden er in minder dan een jaar dertigduizend exemplaren van verkocht. Het is al in negen talen vertaald.
Dat succes heeft wat te maken met Jangfeldts prachtige stijl, zijn oog voor smeuïge details en zijn vermogen het abstracte met het triviale te combineren. Maar het heeft nog meer te maken met dat spectaculaire leven dat Majakovski leidde, een leven dat tjokvol zat met revolutie, utopische visioenen en artistieke experimenten, met liefdes, verslavingen en het tarten van grenzen. Bij het levensverhaal van Majakovski verbleekt menige film- of popsterrenbiografie. In dit leven komen grote politieke en artistieke ontwikkelingen samen. En er is die symboliek waar niemand om heen kan.
Vladimir Majakovksi was in de jaren twintig van de vorige eeuw weinig minder dan de verpersoonlijking van de artistieke ‘revolutie tegen oude vormen’ waarmee de bolsjewistische revolutie van 1917, dachten althans de avant-gardisten, gepaard ging. Lenin en de bolsjewieken wilden de dood van de oude politiek, Majakovski en de futuristen de dood van de oude kunst. In zijn poëzie brak Majakovski met regels en conventies, en in zijn persoonlijk leven ook. Vijftien jaar lang leefde hij in een ménage à trois met het Joods-Russische echtpaar Osip en Lili Brik. Alle drie gingen zij ook openlijk relaties aan buiten de driehoek, hoewel Majakovski daar eigenlijk moeite mee had.
In de ochtend van 17 april 1930 schoot de dichter zich dood. Die zelfmoord was niet alleen veroorzaakt door de reeks vernederingen die de Sovjetautoriteiten hem in de jaren daarvoor hadden laten ondergaan, door de proletarische schrijversbond RAPP die hem had gesommeerd ‘begrijpelijk’ te schrijven, door die speciale combinatie van tegenwerking, surveillance, intimidatie, negeren en treiteren. Maar alles bij elkaar vormde dat wel een belangrijk ingrediënt. Wat in 1917 voor een bevrijding was gehouden, bleek iets anders, namelijk de geboorte van de eerste totalitaire staat van de twintigste eeuw. Het tsaristisch-burgerlijk keurslijf dat de kunstenaars hadden afgeschud, bleek vervangen door een dodelijker. De tsaren hadden nooit schrijvers geëxecuteerd, Lenin begon er al mee in 1921, en het werd snel erger.
Majakovski was ‘politiek naïef’, stelt Jangfeldt. Echter: geenszins zo naïef om in de late jaren twintig niet te beseffen dat hij in de val zat, dat hij, zoals hij vertrouwelingen opbiechtte, vernederd werd ‘als een functionaris’. ‘Twaalf jaar achtereen had de mens Majakovski de dichter Majakovski proberen te doden’, stelde dichteres Marina Tsvetajeva na zijn zelfmoord. ‘Daarna kwam de dichter in opstand en doodde de mens.’
De Nederlandse vertaling van de biografie heet Een leven op scherp. Jangfeldt maakt bewust veel ruimte voor Lili en Osip Brik, die door de Sovjetautoriteiten een halve eeuw uit zijn levensverhaal werden weg gecensureerd, minder vanwege hun onconventionele samenleven met Majakovksi (door Lili ‘de poezenfamilie’ gedoopt) dan vanwege het feit dat de Briks Joods waren.
Majakovski, geboren in een arme Russische familie in Georgië, had al een avontuurlijk leventje achter de rug en een zekere reputatie als dichter toen hij in 1915 kennismaakte met de Briks. Hij bezat de voor die tijd reusachtige lengte van 1 meter 90, zijn lyrisch talent was onmiskenbaar, hij was brutaal, provocerend en onverschrokken. Toch vormde die ontmoeting met de Briks een keerpunt. Voor Lili vatte Majakovski een obsessieve liefde op. Over haar gaat bijna al zijn lyrisch werk dat volgde en aan haar is dat ook opgedragen. De oorspronkelijke omslag van zijn wellicht mooiste lange liefdesgedicht, Daarover uit 1923, wordt ook door haar beeltenis gesierd.
In Osip Brik, die niet seksueel tot zijn echtgenote was aangetrokken en het prima vond dat haar minnaar bij hen introk, vond Majakovski een intellectuele mentor – geen overbodige luxe voor een ‘dichter van de straat’. De Briks lieten de in de lompen gehulde Majakovski broodnodige bezoekjes brengen aan de kleermaker en de tandarts – én ze deden hem in het hart van de Petersburgse avant-garde belanden. Het cultuurverschil tussen de rouwdouwer en het echtpaar bleef. Op Europese reizen die ‘de poezenfamilie’ ondernam, bezochten Osip en Lili musea. Majakovski, gokverslaafd en geen vreemde taal meester, vertoefde doorgaans in casino’s of zat in hotels te drinken en te kaarten.
De revolutie van 1917 bracht de hele futuristische beweging in staat van euforie. Een nieuw tijdperk was nu aangebroken, burgerlijke grenzen behoorden tot het verleden. Jangfeldt maakt duidelijk dat het vanaf het begin wrong tussen de nieuwe politiek en de nieuwe kunst. Lenin had de pest aan de futuristen die hij ervan beschuldigde ‘absurde kunsten’ het predicaat ‘proletarisch’ te geven. Zijn commentaar op Majakovski's versepos 150.000.000 was helder zoals alleen Lenin dat kon zijn: ‘Rotzooi, stom, oerstom en pretentieus.’
Majakovksi zag zich genoodzaakt zijn talent in dienst te stellen van De Zaak en ook simpel politiek werk te vervaardigen. In de eerste helft van de jaren twintig kenden zijn creativiteit en werklust nauwelijks grenzen. Vrijwel constant ondernam hij voorleestournees door heel Rusland en ontwikkelde zich tot een podiumbeest over wie iedereen praatte. Behalve aan poëzie en propaganda wijdde hij zich ook aan aan experimentele filmscenario’s. In een reeks avant-gardefilms speelde hij zelf de hoofdrol. Als zijn vaste tegenspeelster koos hij Lili.
In de tweede helft van de jaren twintig gingen uitputting, spanning en een (seksuele) verwijdering tussen hem en Lili gepaard met een steeds repressiever politiek klimaat. In ‘de poezenfamilie’ moest op seksueel gebied alles kunnen. Maar zo weinig moeite als Lili had met de affaires van haar ‘lieve monsters’ (Osip en Majakovski), zo hevig leed de jaloerse en possesieve Majakovski onder de hare. Pogingen weg te vluchten naar vrouwen in het buitenland – in 1925 verwekte Majakovski een kind in de VS; in 1928 werd hij hopeloos verliefd op op een Russische emigrante in Parijs – liepen stuk op de macht van Lili, maar nog meer op die van de staatsveiligheidsdienst. Na 1928 kreeg Majakovski geen uitreisvisa meer.
Uit officiële kelen klonken de verwijten van ‘onbegrijpelijkheid’ en ‘burgerlijk individualisme’ ondertussen steeds luider. In de maanden voor zijn zelfmoord werd een overzichtstentoonstelling van zijn werk geboycot, kreeg hij vernietigende kritieken, werd een felicitatie aan hem een paar duizend keer uit een al gedrukt literair tijdschrift gescheurd en bleek hij tijdens optredens een doelwit geworden van proletarische studenten die door de staatsveiligheidsdienst waren gestuurd.
De fascinatie voor zelfmoord is in heel Majakovski's (niet-politieke) oeuvre terug te vinden. We gaan niet te ver, vindt Jangfeldt, als we stellen dat het overschrijden van de grens tussen leven en dood een obsessie was van een kunstenaar die al zoveel grenzen had overschreden. De biograaf vindt het even legitiem de Sovjet-autoriteiten flink wat krediet te geven voor het feit dat de dichter zich juist in de lente van 1930 een kogel door de borst joeg. Zeven jaar later begonnen de autoriteiten met het omsmelten van een avant-gardist tot een propagandadichter voor de schoolboeken – een transformatie die Jangfeldt als ‘Majakovski’s tweede dood’ bestempelt.
Lili Brik, minnares en muze, ontsnapte in 1937 op het nippertje aan de terreur van Stalin, haar minnaar van dat moment belandde wel voor het vuurpeloton. Zomer 1978 pleegde ook zij (op 87-jarige leeftijd) zelfmoord. Haar naam was toen al decennia boven geen enkel liefdesgedicht van Majakovski meer terug te vinden.