Paul Depondt
Gepubliceerd op 20 november 2009, 12:00:00, bijgewerkt op 19 januari 2010, 12:00:00
Had Duitsland de oorlog van 1914 - 1918 gewonnen, dan hadden we al negentig jaar een Europese Unie. Door Paul Depondt
Er waren twee oorlogen, schreef de Franse filosoof en schrijver van puntige aforismen Alain (Émile-Auguste Chartier) over de Eerste Wereldoorlog: die welke werd gestreden en die waarover werd gesproken. Misschien was er zelfs een derde, als je de conclusies van historicus Niall Ferguson leest in De erbarmelijke oorlog – De geschiedenis van 1914-1918, namelijk een die nooit heeft plaatsgevonden, een oorlog die alleen in de verbeelding van de geschiedschrijver bestaat wanneer hij na veel wikken en wegen ‘alternatieven’ voor die Grote Oorlog gaat bedenken, een toekomst van gisteren, onder het motto ‘stel dat ’.
In de lijvige historische boeken van Ferguson (1964) wordt de lezer bedolven onder de feiten. Tegelijk verzint en ontwerpt de historicus ‘contrafactuele’ scenario’s in een poging zich voor te stellen ‘hoe de gebeurtenissen hadden kunnen lopen als de omstandigheden op de een of andere manier anders zouden zijn geweest’. Al in zijn voorwoord maakt hij ons attent op de mogelijkheid dit boek ‘te lezen als een onderzoek naar de vele alternatieve aflopen van de oorlog’.
De erbarmelijke oorlog, dat al in 1998 verscheen onder de oorspronkelijke titel The Pity of War – Explaining World War I, gaat uit van tien vragen over de ‘mythes van de Grote Oorlog’. Het zijn, zeker voor sceptische geschiedvorsers als Ferguson, prangende vragen, zoals: Was de oorlog onvermijdelijk? Werd die werkelijk met enthousiasme begroet? Waarom bleven de manschappen door vechten? En wie draaide uiteindelijk op voor de kosten van die bloedige oorlog? Volgens Ferguson hadden militaire historici van oudsher onvoldoende aandacht voor de economische beperkingen waarmee de generaals te kampen hadden.
Anderen waren juist weer geneigd te geloven dat de oorlog niet op het slagveld maar aan het thuisfront werd gewonnen of verloren. Nog anderen bestudeerden het wereldwijde conflict vanuit het perspectief van een enkele nationale staat of lieten zich door oorlogslyriek bedwelmen.
Dé fundamentele vraag die dit boek probeert te beantwoorden is de vraag die elke bezoeker van oorlogskerkhoven zichzelf stelt: waren al deze doden – in totaal meer dan negen miljoen – door wat ter wereld ook te rechtvaardigen? Voor de Schotse (!) historicus Ferguson was de Grote Oorlog niets minder dan ‘de grootste fout in de moderne geschiedenis’ – zoals de laatste zin van zijn lijvige studie luidt. Engeland, volgens de historicus de grote schuldige van het conflict, was niet werkelijk geconfronteerd met zo’n grote bedreiging van zijn veiligheid dat het nodig was om miljoenen onervaren rekruten het Kanaal over te sturen. Als Engeland zich afzijdig had gehouden, dan had Duitsland het Europese continent veroverd en had het al negentig jaar eerder een Europese Unie kunnen verwezenlijken, the Kaiser’s European Union.
Als de keizer had gezegevierd, meent Ferguson, ‘had Adolf Hitler zijn kostje bijeen kunnen scharrelen als een middelmatige prentbriefkaartschilder en een voldane oud-soldaat in een door Duitsland gedomineerd Midden-Europa waarover hij weinig te klagen zou hebben gehad’. Lenin zou als het ware in zijn ballingsoord Zürich zijn gestorven, ‘wachtend op de ineenstorting van het kapitalisme’, en de Holocaust zou misschien wel nooit hebben plaatsgevonden. If natuurlijk, als de gebeurtenissen helemaal anders waren verlopen.
Ferguson, die in New York ‘financiële geschiedenis’ doceert en onderzoek doet in Oxford en aan Harvard, redigeerde ooit een bundel opstellen over zulke speculaties, Virtual history: alternatives and counterfactuals (1997), over wat uiteindelijk niet is gebeurd. Hij liet zich al eerder kennen als een ‘revisionistisch’ historicus, die het imperialisme en het kolonialisme niet meteen verwerpelijk vindt, en als een tegenstander van marxistische geschiedenisopvattingen. In het boek Colossus (2004) verdedigde hij de Amerikaanse neoconservatieve politiek van G.W. Bush en de zijnen die een Amerikaans wereldrijk wilden vestigen. Zijn stellingen klinken avontuurlijk en provocerend. Anderzijds zijn juist die spraakmakende stellingen – dat een Duitse overwinning in die oorlog een zegen zou zijn geweest voor Europa, of dat Duitsland in 1914 eigenlijk alleen maar een defensieve oorlog voerde – vooral historische fictie. Ferguson verkwanselt met zulke fantasierijke scenario’s zijn geloofwaardigheid.
Hij schrijft nochtans verhelderende pagina’s over de mythe van het enthousiasme waarmee de oorlog in augustus 1914 werd begroet, over de Erhebung, de vervoering van die dagen. Hij gelooft niet in de massale en euforische oorlogszuchtigheid van dweepzieke menigten. Voor velen in Europa was de oorlog geen reden tot vreugde, maar tot ongerustheid. De apocalyptische beeldspraak werd even vaak gebruikt als patriottistische retoriek. In de politiek was, zeker in 1914, zelfs overal het anti-militarisme in opkomst. En toch werd er uiteindelijk vreselijk gevochten.
Het cruciale punt, schrijft Ferguson, ‘is dat de manschappen vochten omdat ze het niet erg vonden om te vechten’. De historicus wordt plots psycholoog, een Freudiaan zelfs die uitdrukkelijk meent dat de ‘doodsdrift’ een belangrijke rol heeft gespeeld in het ‘armageddon’. In een ander boek, The War of the World – History’s age of hatred (2006), wordt ‘de oorlog van de wereld’ verklaard aan de hand van de biologische aard van de mens. De historicus gaat filosoferen, hij beschouwt de Eerste Wereldoorlog als het begin van een nog veel groter conflict dat het einde inluidt van de westerse beschaving. De historicus wordt ook nog eens predikant.
De meeste mensen ontlenen hun ideeën over de Eerste Wereldoorlog niet aan historici maar aan romans, kranten, televisie, theater en films. Het beeld van een slechte, zinloze oorlog is eindeloos herhaald. Daardoor, vindt Ferguson terecht, blijven veel vragen onbeantwoord. Hij herijkt dat beeld, met verve – dat is de sterke kant van het boek. Maar merkwaardig genoeg verzandt ook zijn eigen onderzoek naar ‘meetbare’ antwoorden op die vragen, omdat hij – weliswaar na uitputtend vorsen – belandt bij het onhistorische ‘stel dat ’.
Was de oorlog zinvol? Had hij kunnen worden vermeden? Het is gokken en speculeren. Dat is de mindere kant van het boek. De historicus speurt op die manier uiteindelijk niet meer naar het ‘wie es eigentlich gewesen’ is, maar herschrijft de geschiedenis, als een ideoloog en een predikant, alsof die bloedige Grote Oorlog in zijn verbeelding niet heeft plaatsgevonden.