Gijsbert Kamer
Gepubliceerd op 13 november 2009, 12:00:00, bijgewerkt op 12 januari 2010, 12:00:00
Voordat Bruce Pavitt eind jaren tachtig in Seattle het platenlabel Sub Pop oprichtte, was hij punk. Hij droeg een zwart motorjasje waarop hij een omcirkelde letter A had geschilderd alsmede het woord ‘Anarchy’. In die uitmonstering werd Pavitt in 1983 op straat door fotograaf Michael Lavine geportretteerd. Lavine studeerde fotografie aan het Evergreen State College in Olympia, Washington, en was getroffen door de manier waarop punks, mods en rockers zich in het nabijgelegen Seattle kleedden.
Het was een merkwaardige periode in de popgeschiedenis. Iedere Amerikaanse stad van een beetje formaat had een eigen punk-scene, maar ook die in Seattle leek begin jaren tachtig zijn beste tijd te hebben gehad. Er broeide van alles, maar het was nog onduidelijk wat er naar boven zou drijven.
In Seattle koesterden punkrockfans als Lavine een groeiende weerzin tegen de opgemaakte heavy metal-jongens met hun opzichtig gecoiffeerde kapsels. Maar ook met de kaalgeschoren punkers wilden de jonge muzikanten niet geassocieerd worden.
Ze lieten hun haar groeien, zonder het te kammen, en hulden zich in flanellen overhemden, versleten spijkerbroeken en truien met gaten. Er viel geen enkele glamour te bespeuren bij Mudhoney en Nirvana, de prille Seattle-bands die op het label van Pavitt debuteerden.
Dat was een jaar of vijf na het studieproject van Lavine. Hoewel de Sub Pop-baas en de dan naar New York uitgeweken Lavine nauwelijks contact met elkaar onderhielden, waren Pavitt de onopgesmukte portretten van Lavine toch bijgebleven.
Hij stuurde zijn Sub Pop-bandjes, die bijna allemaal in New York konden spelen, langs bij Lavine, die in zijn studio in de Lower East Side portretten maakt van Mudhoney, Screaming Trees, TAD en Nirvana. Portretten die aan de in 1989 tot grunge gedoopte Seattle-rock een gezicht zouden geven.
Deze portretten zijn nu samen gebundeld met Lavines werk uit zijn studententijd. Hoewel dat stamt uit een andere tijd en een andere stad, vormt het een hechte eenheid met de beelden uit New York. Het voorwoord is van Sonic Youth-gitarist Thurston Moore, die zelf geregeld door Lavine is gefotografeerd. Zijn beschrijving van de Sub Pop-scene van weleer (met platenwinkels als Cellophane Square, Bombshelter en Fallout) maakt bijna weemoedig.Gijsbert Kamer