Jolande Withuis heeft voor haar boek ‘Weest manlijk, zijt sterk. Pim Boellaard (1903-2001). Het leven van een verzetsheld’ de Grote Geschiedenis Prijs 2009 gewonnen.
De prijs voor het beste geschiedenisboek van het jaar werd gisteravond uitgereikt door juryvoorzitter Frits Bolkestein, die Withuis ‘een zeer waardige winnaar’ noemde. Aan de prijs is een bedrag van 10.000 euro verbonden.
NIOD
Jolande Withuis (1949) is als onderzoekster verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Zij schreef volgens de jury een ‘meeslepend boek’. De generaalszoon Boellaard kwam tijdens de oorlog in verzet, werd gearresteerd en verdween in het concentratiekamp, eerst Natzweiler, later Dachau. Hij was een echte oorlogsheid, over wiens leven nu een ‘veelzijdig en vaardig geschreven boek’ ligt.
Daar komt bij dat ‘Wees manlijk, zijt sterk’ een kentering markeert in de heersende opvatting over de Tweede Wereldoorlog als ‘grijs verleden’ waarin het leven vooral aanpassen was aan een moeilijke tijd. Met dit boek, aldus de jury, mogen helden weer op een voetstuk.
Sneren
Daarover zei Withuis onlangs: ‘Het kwam me op sneren te staan toen ik zei dat ik erover dacht mijn boek ‘Een patriarchale held’ te noemen. Withuis, dat deden we toch niet meer? Het is geen heiligenverhaal geworden. Maar met bewondering is niets mis.’
De Grote Geschiedenis Prijs is een initiatief van de Volkskrant, Historisch Nieuwsblad en de NPS/VPRO, en wil belangstelling kweken voor het goed geschreven geschiedenisboek. De beoordelingscriteria zijn leesbaarheid, degelijkheid en originaliteit. De jury vond de kwaliteit van de inzendingen van het afgelopen jaar hoog, met dien verstande dat de biografie nogal overheerste.
Vijf titels
De shortlist telde als gebruikelijk vijf titels. Daarvan waren er drie levensbeschrijvingen, de vierde had uitgesproken biografische trekken (lees de bespreking van de genomineerde titels hieronder).
Juryvoorzitter Bolkestein brak in zijn lofrede een lans voor het traditionele geschiedenisonderwijs, gericht op het overdragen van chronologisch inzicht, met behulp van veel feiten en jaartallen. Hij kritiseerde de thematische benadering, waarin los van elkaar staande onderwerpen worden behandeld. ‘Vóór leerlingen slavernij en horigheid bestuderen, zullen ze toch moeten weten wie eerder leefde: Floris V of Willem van Oranje.’
De jury
De jury bestond uit: Judith Pollmann, hoogleraar vroegmoderne geschiedenis aan de universiteit van Leiden; Doeko Bosscher, hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen; Carla Boos, eindredacteur NPS-televisie; Frans Smits, hoofdredacteur van Historisch Nieuwsblad, en Martin Sommer, chef parlementaire redactie van de Volkskrant. Juryvoorzitter was voormalig VVD-fractievoorzitter en oud-eurocommissaris Frits Bolkestein.

Recensie
Op vrijdag 4 september 2009 schreef Volkskrant-redacteur Anet Bleich het volgende artikel over de genomineerde titels:
Geschiedschrijving draait om het in kaart brengen van het verleden, maar zegt net zo goed veel over het heden. Vier van de vijf titels die zijn genomineerd voor de Grote Geschiedenis Prijs 2009, getuigen van een nieuwe behoefte aan helden.
Door Anet Bleich
Waar vind je dezer dagen nog een echte held? Daarvoor moeten we toch al snel een toevlucht zoeken in de geschiedenis, vooral in wat met een wat archaïsche term te boek staat als de vaderlandse geschiedenis (al mochten de oude Grieken en Romeinen er met figuren als Achilles en Caesar ook zijn). Michiel de Ruyter, Frederik Hendrik, ‘de stedendwinger’, menigeen zal ze zich herinneren van de basisschool. Helden zijn geruime tijd ‘uit’ geweest: te simpel, niet erg geloofwaardig, wat al te zwart-wit.
In de tweede helft van de twintigste eeuw ging de geschiedschrijving zich sterker richten op de nuances, op de maatschappelijke verhoudingen waaruit de grote historische figuren voortkwamen, op het lang in de schaduw gebleven leven van ‘gewone’ mannen en vrouwen. Maar daarin lijkt langzamerhand weer een kentering te komen.
Vreemd is dat op zichzelf niet. De geschiedschrijving mag dan een wetenschap zijn (gericht op waarheidsvinding en gebonden aan methodische voorschriften), ze staat open voor subjectieve inzichten – de historicus is vrij in het kiezen van een invalshoek en een probleemstelling. Geschiedschrijving is dus ook ontvankelijk voor de collectieve subjectiviteit die wordt belichaamd in de tijdgeest. De rode draad blijft steeds dezelfde: proberen te begrijpen wat er in het verleden is gebeurd, wat niet eenvoudig is, want zoals Leslie Poles Hartley het zo mooi heeft gezegd in The Go-Between: the past is a foreign country, they do things differently there. Naast het hoofdaspect van het beschrijven en begrijpelijk maken van wat er aan onze hedendaagse samenleving vooraf is gegaan, kent de geschiedschrijving ook secundaire doelen, zoals het trekken van lessen uit het verleden (een dikwijls hachelijke onderneming) of het versterken van de eigen identiteit.
Natiestaten
Dat laatste speelde een grote rol in de negentiende eeuw, toen in
Europa de natiestaten tot bloei kwamen. Maar ook tegenwoordig, nu de
natiestaten juist onder druk staan door de duizelingwekkende
technologische vooruitgang, de globalisering en de veranderde
bevolkingssamenstelling, is er opnieuw sprake van een teruggrijpen op
de eigen geschiedenis met het doel de nationale identiteit te
versterken.
Koortsachtig speurt men naar canons die op een
overzichtelijke manier gebeurtenissen en personen belichten die van
betekenis zijn voor de huidige Nederlandse identiteit. In dat licht is
ook de weer ontloken interesse voor helden goed verklaarbaar.
Nationale geschiedenis
Deze trend is ook herkenbaar in de vandaag bekend geworden shortlist voor de Grote Geschiedenisprijs 2009, die dit jaar voor de derde keer wordt uitgereikt, op initiatief van Historisch Nieuwsblad, de Volkskrant, en VPRO en NPS. De vijf genomineerde boeken voldoen aan alle de door de jury gestelde criteria van degelijkheid, leesbaarheid en originaliteit. Opvallend is wel dat twee boeken met een internationaal thema die op de longlist stonden, Eb en Vloed – Europa en Amerika van Reagan tot Obama van Ronald Havenaar en de briljante dissertatie van Luuk van Middelaar, De Passage naar Europa, niet tot de kanshebbers behoren. Wat betreft originaliteit, visie, durf en fraai taalgebruik kan Van Middelaar zich bepaald met iedereen meten. Alleen al de zin waarmee hij het Wendejaar 1989 typeert, ‘toen de geschiedenis als een losgeslagen paard ruiterloos door de nacht van de Val van de Muur galoppeerde’, is opzienbarend.
De genomineerde boeken behandelen ieder een onderwerp uit de – recente of verder teruggelegen – nationale geschiedenis. Drie van de vijf zijn biografieën, een vierde heeft biografische trekken. In een biografie staat uiteraard de hoofdpersoon centraal, hij of zij is de held van het verhaal. Het opmerkelijke aan de genomineerde boeken is dat hun helden ook werkelijk – de een wat sterker dan de ander – als ware helden worden afgeschilderd. Alleen Rampjaar 1672 van Luc Panhuysen is meer op de historische episode dan op personen gericht, al wordt de onderwerping van de Republiek door de brandschattende troepen van Zonnekoning Lodewijk XlV bekeken door het prisma van Margaretha Turnor, kasteelvrouwe van Amerongen, haar man, de diplomaat Godard Adriaan en hun zoon Godard die het onder stadhouder Willem lll, de latere koning van Engeland, tot een hoge militaire functie bracht.
Panhuysen
baseert zich hoofdzakelijk op de brieven die de drie gezinsleden elkaar
in die benarde tijd schreven en heeft daarnaast ook de couranten uit de
jaren zeventig van de zeventiende eeuw doorgenomen. Het gebruik van de
correspondentie blijkt een gouden greep. Het geeft een persoonlijk
accent aan de historische gebeurtenissen en brengt ze tot leven, mede
door het vermogen van Panhuysen om het geschrevene in een bredere
context te plaatsen. Maar juist onbetekenende details verhogen soms het
leesplezier.
Hoe spraken echtgenoten elkaar in de Gouden Eeuw aan als ze elkaar
schreven? De aanhef van de brieven van Margaretha Turnor aan Godard
Adriaan luidde steevast: ‘Mijn heer en mijn lief hartje’. Heerlijk.
Veel
genoegen heb ik ook beleefd aan Panhuysens beschrijving van de
desillusie in Utrecht, toen die stad eindelijk van de Fransen was
bevrijd. De soldaten van het Staatse leger traden ruw op tegen de
burgers. Een vriend van Godard Adriaan die ter plekke was, vreesde
voor onlusten ‘want de mensen wilden niet ‘voor een conquest worden
aangezien’ ’. De afgevaardigden van de Staten-Generaal in de stad
gedroegen zich als heer en meester. ‘Ze eisten alle rekeningen van het
stedelijke en gewestelijke bestuur op, alsof er geen oorlog was
afgesloten maar een reusachtig boekhoudschandaal.’ Die Hollanders! Ook
toen al op de penning.
In 1674 was de vijand uit de Republiek vertrokken en kon worden begonnen met de wederopbouw. De schade van het Rampjaar (dat in feite langer dan een jaar duurde) was immens; ook Margaretha Turnor moest haar kasteel te Amerongen dat door de Fransen was platgebrand weer van de grond af laten opbouwen. Aan de hand van goed gekozen voorbeelden schetst Panhuysen een beeld van de ontreddering die deze Franse inval teweeg bracht. In Zwolle bijvoorbeeld was meer dan de helft van de huizen niet meer bewoonbaar, de stadsbevolking was eveneens gehalveerd. De auteur verhaalt verder smakelijk over de machtsstrijd tussen Willem lll en de regenten en de bijbehorende intriges waarmee ook de jonge Godard te maken kreeg. En als hij eens iets niet kan achterhalen – de bronnen zijn als het over de zeventiende eeuw gaat schaarser dan bij eigentijdse geschiedenis – schroomt hij niet ook daar melding van te maken. Een absolute aanrader, Rampjaar 1672.
Graag had ik dat ook willen zeggen over de biografie die
Wilfried
Uitterhoeve heeft geschreven over de veelzijdige wetenschapsman
Cornelis Kraijenhoff (1758-1840). Maar helaas is deze
levensbeschrijving in mijn ogen maar ten dele geslaagd. Uitterhoeve
beschrijft overtuigend hoezeer Kraijenhoff van alle markten thuis was:
hij studeerde rechten, daarna filosofie en medicijnen. Hij werd een
beroemd waterstaatkundige en wist alles van vestingbouw en waterlinies.
Hij was Fransgezind (we hebben het dan over het Frankrijk van de
Verlichting en de Revolutie), vervulde officiële functies ten tijde van
de Bataafse Republiek en onder koning Lodewijk Napoleon bracht hij het
tot minister van Oorlog. Korte tijd diende hij keizer Napoleon om vanaf
1813 uit de grond van zijn hart zijn diensten aan te bieden aan de
eerste Nederlandse koning Willem l. Kraijenhoff was de trotse drager
van de hoogste Franse onderscheiding, het Légion d’honneur en werd door
Willem later als baron in de adelstand verheven.
De ondertitel Een loopbaan onder vijf regeervormen klinkt veelbelovend, maar Uitterhoeve weet niet duidelijk te maken hoe Kraijenhoff het over zijn hart verkreeg om zoveel verschillende, voor een deel ernstig met elkaar overhoop liggende heren te dienen. Dat hij als wetenschapsman met praktische ervaring, als ‘grand technicien’ gewild was, is begrijpelijk, maar hoezo stond hij steeds weer klaar, en met hem blijkbaar tal van anderen uit de toenmalige elite? Dat blijft mistig, wellicht omdat Uitterhoeve zijn held, ‘een van de erflaters die aan de wieg van het moderne Nederland hebben gestaan’, te zeer bewondert om ook kritisch te durven zijn.
Heldendom
en bewondering zijn ook volop aan de orde in Weest mannelijk, zijt
sterk, de biografie die Jolande Withuis schreef over verzetsman en
concentratiekampgevangene Pim Boellaard (1903-2001). Maar Withuis heeft
een aanzienlijk sterkere case dan Uitterhoeve en ze is bovendien niet
onkritisch. Knap schetst ze hoe generaalszoon Boellaard als gevolg van
de (voor hem ellendige) omstandigheden uitsteeg boven de beperkingen
van zijn sterk naar binnen gerichte, standsbewuste milieu. Hij trad toe
tot de oranjegezinde verzetsgroep O.D., viel ten prooi aan verraad en
kwam terecht in de gevangenis in Scheveningen waar hij de dood onder
ogen zag en besloot zich niet te laten kennen. Die zelfbewuste
onverzettelijkheid hield hij zelfs vol in aanwezigheid van SS-chef
Himmler, aan wie hij desgevraagd bereidwillig uitlegde waarom de meeste
Nederlanders niets voelden voor de strijd van nazi-Duitsland. Als
Nacht und Nebel-gevangene werd hij afgevoerd naar het concentratiekamp
Natzweiler en vervolgens naar Dachau. Daar beleefde hij ondanks de
mensonterende omstandigheden zijn finest hour. Hij hielp en bemoedigde
zijn lotgenoten waar hij maar kon. Van de overlevenden zeiden velen dat
ze hun leven aan Boellaard te danken hadden. De meest ontroerende
passage vind ik die waar Boellaard weigert een vastgebonden
medegevangene af te ranselen. Daar was inderdaad heldenmoed voor
nodig. En het is een wonder dat hij die weigering overleefde.
Na
de oorlog hernam Boellaards leven schijnbaar zijn normale loop, hij
werd een succesvol zakenman, verkeerde in hoge kringen en raakte
persoonlijk bevriend met prins Bernhard, die een zwak had voor
verzetsstrijders. Maar zijn hart ging in de eerste plaats uit naar
‘zijn mensen’ uit Natzweiler en Dachau, voor wie hij al het mogelijke
bleef doen. Volgens Withuis had hij niettemin geen oorlogstrauma. Ik
vraag me af – dat is mijn enige punt van kritiek op dit prachtige boek
– of hier de wens niet de moeder van de gedachte was: hoe weet ze dat
zo zeker? Het feit dat Boellaard niet in therapie ging en zijn
gevoelens nauwelijks uitte, zegt weinig bij zo’n stoere man.
Bernhard
in hoogsteigen persoon speelt een centrale rol in Juliana en Bernhard
van Cees Fasseur. En ja, de prins komt, met al zijn ondeugendheden, bij
Fasseur als de held tevoorschijn. De historicus gaat uitgebreid in op
de Hofmans-affaire, de komst van helderziende Greet Hofmans naar
Soestdijk waar ze de bewondering van koningin Juliana oogstte. Hij
beschrijft de verwikkelingen aan het hof boeiend en gedegen, maar gek
genoeg vloeit zijn conclusie – Bernhard heeft de monarchie gered door
in de publiciteit de aanval op Hofmans en Juliana te openen – niet
logisch voort uit het door hem bijeengebrachte materiaal. Daaruit
blijkt juist dat Juliana steeds een goed gevoel hield voor wat ze kon
en mocht binnen het constitutionele bestel (iets wat je van de prins
onmogelijk kunt volhouden) en dat haar ‘lieve engel’ Hofmans zeker een
warhoofd was, maar geen boze politieke plannen koesterde. Spannend en
interessant, dit koningsdrama, maar Fasseurs eenzijdigheid doet wel
enigszins afbreuk aan de waarde.
Naar
Joke Smit zijn her en der in Nederland niet minder dan 38 straten
vernoemd. Toch lijkt het vermoeden gerechtvaardigd dat menigeen onder
de veertig bij het horen van die naam uitroept: ‘Joke Smit? Wie is dat
in ’s hemelsnaam?’ Daarom is het goed dat Marja Vuijsje met haar
biografie deze voorvrouw van de tweede feministische golf aan de
dreigende vergetelheid ontrukt. Een biografie die recht doet aan de
persoon van Smit en ook de opkomende vrouwenbeweging kleurrijk belicht.
Hoewel het adagium ‘het persoonlijke is politiek’ lang niet altijd
opgaat, bewijst het Marja Vuijsje goede diensten.
Aan de hand van Smits met veel psychologisch inzicht beschreven Werdegang laat ze zien hoe de onvrede van deze niet al te gelukkig gehuwde jonge werkende moeder zich verdichtte tot Het onbehagen bij de vrouw (de titel van haar geruchtmakende artikel uit 1967 in De Gids), waarin vele seksegenotes zich herkenden. Gelijke rechten en het eerlijk verdelen van betaalde arbeid en zorgtaken waren de verlangens waarmee de pragmatische feministe zich in het politieke strijdgewoel waagde. Dat veel van de uit genoemde principes afgeleide concrete wensen intussen gerealiseerd zijn (kinderopvang, afschaffing van het kostwinnersprincipe, abortus als een vrouw dat nodig vindt), is natuurlijk niet alleen aan Joke Smit te danken. De tijd en de omstandigheden waren eind 20ste eeuw rijp voor een grote emancipatiesprong. Maar iemand moet gangmaker zijn. Heldin? Vuijsje gebruikt die term niet in haar indrukwekkende boek en Joke Smit zou er vreemd van hebben opgekeken.